Ik heb jaren geleden, net als heel veel mensen, wel eens een persoonlijkheidstest gedaan. Ik werd er min of meer toe gedwongen door de organisatie waar ik toen voor werkte. Dat ik in die periode enkele chefs op de bek had geramd zal daar ongetwijfeld mede debet aan zijn geweest. Daar stond ik dan op een dinsdagochtend. Het bedrijventerrein waar de organisatie zat die de testen afnam was van een onbeschrijfelijke treurnis. Lelijke wederopbouw architectuur gecombineerd met wanstaltige jaren tachtig meuk. Eenmaal binnen in het fantasieloze kantoor kreeg ik een smakeloze instantkoffie geserveerd en werd me verteld dat ik ongeveer een kwartier moest wachten. Na een kwartier betrad ik het kantoor van de functionaris die mij de test zou gaan afnemen. Tja, wat zal ik zeggen. Als hij me had verteld dat hij de broer van Gargamel was dan had ik het stante pede geloofd. Rond zijn kale, glimmende schedel had hij een zwarte band haar. Zijn streepjesoverhemd was net iets te wijd en zijn pantalo...
Beste lezer. Na honderdtweeëndertig stukjes kom ik tot u met een trendbreuk. Mocht u de trendbreuk ontwaren, dit gelieve bij het kopje ‘reacties’ te melden. Polleke staat in de keuken een boterham te smeren, een boterham met boter en vellenworst. Doordat de zon recht op het keukenraam staat is de temperatuur aan het aanrecht gestegen tot zesendertig graden. De boter op de boterham begint te smelten en in diens vrije val neemt deze een stuk vellenworst mee en belandt op de rossig uitgeslagen met pukkels bezaaide linkerdij van Polleke. Hij is moeder’s mooiste niet, maar dat weet hij zelf al jaren. Terwijl hij met zijn lange tong met ferme halen de gesmolten boter ( de vellenworst is inmiddels op de grond gevallen ) van zijn dij likt hoort hij iemand aan komen lopen. Hij kijkt op en ziet Korneel, zijn huisgenoot. Hoewel het haast onmogelijk is is Korneel fysiek nog afstotelijker dan Polleke. Beide heren hebben zich echter met hun lot verzoend. ‘Hoi Korneel,‘ zegt Polle...