‘We zijn er mijnheer. Dit is de eindhalte.' Ik loop naar de buschauffeur en wil hem bedanken als een man met een open kwijlende mond langs me loopt en me hard aanstoot.‘ ‘Trek het je niet aan,‘ zegt de chauffeur. ‘Deze komt uit de Hut.’
‘De Hut?‘
‘Ja de Hut. Dat is een psychiatrische inrichting een stukje verderop. Er zitten hele zware gevallen en wat lichtere gevallen zeg maar. De lichte gevallen mogen tussen 9.00 uur en 17.00 uur buiten de poort vrij bewegen. Vandaar dat je in de omgeving zo nu en dan zo’n losgeslagen projectiel ziet rondscharrelen. Ze doen geen kwaad, zijn hoogstens een tikje onaangepast.' Ik bedank de chauffeur voor deze informatie en kijk op Maps hoe ik moet lopen naar het hutje dat ik voor twee weken heb gehuurd. Hier, in een verre hoek van het Avondland, ben ik van plan mijn aanstaande dichtbundel Alcoholisten drinken graanhalmen te perfectioneren. Mijn uitgever is reuze enthousiast over het manuscript en verwacht er veel van.
Na vijf minuten wandelen arriveer ik bij het hutje. Zoals afgesproken ligt de sleutel in de dakgoot. Het hutje is eenvoudig maar van alle gemakken voorzien. De rood-wit geblokte tafelkleden en gordijnen zorgen ervoor dat ik me er meteen thuis voel. Het uitzicht is magnifiek. Vanuit het huisje kijk ik uit over een vallei waarin een klein riviertje meandert. De steile hellingen van de omliggende heuvels zijn dicht bebost. Boven de wouden zie ik roofvogels cirkelen en ik hoor het burlen van herten.Ik pak mijn rugzak karig gevulde rugzak uit. In de eenvoudige keuken bereid ik een pan zoervleisj welke ik wegspoel met diverse trappisten. Ik ga vroeg naar bed en val in een diepe slaap.
De volgende ochtend ben ik vroeg wakker. Ik zet een pot koffie, smeer drie sneden brood en begin te werken aan mijn dichtbundel. Het perfectioneren verloopt gladjes en om 12.00 uur ben ik al een flink eind gevorderd. Na twee boterhammen en een mok kamillethee besluit ik een ommetje te maken. Ik kom uit bij een somber, afgelegen gebouw waarvan het terrein is omringd met hekken. ‘De Hut’ staat er aangekondigd op een welkomstbord. Net buiten het hek staat een oud vrouwtje die iets van een touw of zo in haar handen heeft. Ik loop naar haar toe en zie dat het een halsriem is. Zou dit een van die lichtere gevallen zijn? vraag ik me af. We raken in gesprek, in hoeverre je van een gesprek kunt spreken.
‘Ik ga mijn hond uitlaten,‘ zegt ze.
Ik besluit het ‘spel’ mee te spelen en vraag hoe haar hond
heet.
‘Mijn hond heet Danzig en het is een Bullenbeisser.‘
Ik weet niet beter dan dat de Bullenbeisser uitgestorven is,
maar ik laat haar in de waan.
‘Het is een prachtige hond mevrouw,‘ zeg ik.
Ze knikt en loopt weg, de riem achter zich aan slepend. De rest van de dag vul ik met wandelen, redigeren en eten. Ik lig wederom vroeg in bed en val in een diepe slaap.
De volgende dag werk ik de halve dag aan mijn gedichtbundel en na de lunch besluit ik een ommetje te maken. Als ik de voordeur dicht doe zie ik het oude vrouwtje staan. Ze staat ongeveer honderd meter van me vandaan, heeft haar vuist gebald en houdt deze voor haar gezicht. Alsof ze iets vasthoudt. Ik loop naar haar toe en zeg haar gedag.
‘Lekker,’ zegt ze.
‘Lekker? ‘
‘Ja. Dit,’ en ze duwt haar vuist naar me toe. Dit ijsje is
lekker. Ze houdt haar vuist bij haar mond en begint in de lucht te likken. ‘
‘Wil je een likje? ‘vraagt ze.
‘Waarom niet? ‘zeg ik en ik begin likkende bewegingen in de
lucht te maken.
‘Bosbessenijs. De beste die er is mijnheer. ‘ Ze draait zich om en loopt weg. Ik raak geobsedeerd door deze vrouw. Ze mag dan misschien gek zijn, maar in haar fantasiewereld is ze volkomen in balans. Stiekem hoop ik haar morgen weer te ontmoeten.
De volgende dag ben ik vroeg wakker. Ik kan me niet goed concentreren op mijn dichtbundel. Mijn gedachten zijn bij het oude vrouwtje. Ik besluit dit keer al om 11.00 uur een ommetje te gaan maken. Als ik de deur open doe zie ik haar op de deurmat staan. Ze heeft de hondenriem in haar handen. ‘Ik kom een kop koffie drinken, ‘ zegt ze en ze loopt naar binnen, de riem achter haar aanslepend. Ik kan mijn lach haast niet inhouden om dit koddige tafereel, maar doe alsof er niks aan de hand is en ga een pot koffie zetten. Terwijl we tegenover elkaar koffie zitten te drinken legt ze de riem op de grond en zegt : Ga maar rondlopen Danzig, maar hou het netjes. Ze drinkt de koffie op, blijft nog vijf minuten zitten, fluit en loopt met Danzig weer naar buiten. ‘Dit is wonderbaarlijk. Ik moet hiervan iets in mijn dichtbundel gaan verwerken,’ hoor ik mezelf mompelen. Ik ga achter mijn bureau zitten en begin aan een nieuw gedicht. Als ik klaar ben rek ik me uit en ruik iets vreemds. Uit de gang komt een smerige lucht, het lijkt haast wel,…. maar dat kan niet. Ik doe de lamp in de gang aan en zie ze liggen, twee flinke bolussen alsof ze net gelegd zijn. Dit is niet mogelijk, ik droom, er is behalve de oude vrouw niemand hier geweest vandaag. Ik heb er eenvoudig geen verklaring voor en besluit het te laten rusten. Er zal ongetwijfeld een fret of een bunzing naar binnen zijn gekropen.
‘Ik ben Joe DiMaggio en ik sla een homerun, ‘ zegt ze terwijl ze een rij zwarte tanden bloot lacht. Het komt niet tot een gesprek. Ze rent weg, alsof ze de homerun aan het rennen is. Ik ga vroeg naar bed en midden in de nacht word ik wakker van veel kabaal. Politieauto’s, schreeuwende mensen. Ik kleed me aan en ga naar buiten.
‘En dat net twee dagen voor de fancy fair,’ hoor ik een
politieman zeggen.
‘Fancy fair? Wat is er aan de hand, ‘ vraag ik.‘
‘Luister,’ zegt de agent. ‘Over twee dagen is er in het dorp
onder de grote heuvel een fancy fair. We kunnen deze slechte publiciteit gewoon
niet gebruiken nu. ‘
‘Welke publiciteit? ‘
De agent kijkt me wezenloos aan. ‘Heb je het niet gehoord dan? Er heeft een laffe roofmoord plaatsgevonden. De eigenaar van de levensmiddelenwinkel hebben ze doodgeslagen en niet zo zachtjes ook. Zijn halve hoofd ligt in gruzelementen.‘ Het begint me te duizelen. Wat gebeurt er om me heen? Waar ben ik onderdeel van? Het duurt lang voor ik weer de slaap heb gevat.
Ik ben voor mijn doen laat wakker de volgende ochtend. Als ik mijn tanden aan het poetsen ben hoor ik plotseling geschuifel in de woonkamer. Ik sluip naar beneden, werp een blik door de woonkamerdeur en zie een schaduw over de muur glijden. Ik loop de kamer in en een verschrikkelijke rotte geur doet me naar rechts kijken. Naast me staat het oude vrouwtje. Ze heeft haar linkerhand gebald ter hoogte van haar middenrif en met haar rechterhand draait ze rondjes boven haar hoofd. Het lijkt wel alsof….alsof ze doet of ze een lasso in haar hand heeft. ‘Bleekgezicht gaat eraan!!!, ‘krijst ze. Ze kijkt naar me maar haar blik gaat dwars door me heen. Plotseling is ze verdwenen. Ik heb geen idee hoe ze binnen is gekomen. Alles is afgesloten. Ik voel me niet goed en besluit binnen te blijven. Aan mijn dichtbundel kom ik überhaupt niet toe. Ik weet niet hoe lang ik op de bank heb gezeten, maar ergens aan het begin van de avond hoor ik een gegil en gehuil van jewelste. Het geluid komt van de hoofdstraat en er staat een groep mensen in een cirkel om iets of iemand heen. Ik moet kokhalzen als ik zie wat er ligt, het lichaam van iemand helemaal bont en blauw en gestript van het vlees. Het hoofd ligt in een rare knik en er zit een grote striem in de nek.
‘Wat is hier in vredesnaam gebeurd?‘ gil ik.
‘Een vreselijke moord, ‘ zegt een dame. ‘De apotheker is vermoord en wel op weerzinwekkende wijze. Hij is vermoedelijk achter een paard gesleept met zijn hoofd in een strop. Het vreemde is dat we het touw niet kunnen vinden en er nergens afdrukken van paardenhoeven zijn. Het is verschrikkelijk en dat een dag voor de fancy fair.‘ Ik ren naar het huisje en doe alles op slot. Dit moet een verschrikkelijke droom zijn, een nachtmerrie, het kan niet anders.
Ik blijf de hele nacht wakker en er gebeurt niks. Aan het begin van de middag besluit ik richting de fancy fair te lopen. Ondanks de verschrikkelijke gebeurtenissen probeert iedereen de moed erin te houden. Er hangt zowaar een gezellige sfeer. Van heinde en ver zijn de mensen gekomen om goede daden te doen. Liefdadigheid wordt hier met vette letters geschreven. Na een uurtje rondgelopen te hebben ga ik weer naar het huisje. Daar aangekomen slaat de schrik me om het hart. Voor de deur staat het oude vrouwtje en haar houding laat niets te raden over. Alsof ze een pijl en boog in haar handen heeft en omhangen is met een koker vol met pijlen. Ze komt naar me toe en ik sta aan de grond genageld, ik kan me gewoon niet bewegen.
‘Eerst was het er steeds maar een, nu zijn ze het allemaal!
‘
Ze rent weg met een snelheid en soepelheid die niet te rijmen is met haar leeftijd. Ik stort in, maar heb de tegenwoordigheid van geest om naar het politiebureau te rennen. Struikelend en schreeuwend kom ik het politiebureau binnen.
‘Stop die oude vrouw!!!, ‘ krijs ik. ‘Ze vermoordt iedereen met haar denkbeeldige wapens. Stop haar godverdomme!!! ‘ Drie man drukken me op de grond. ‘Misschien ben jij wel die gestoorde moordenaar, ‘sist een politieagent in mijn oor.‘ ‘Nee klootzak! ik ben dichter! Ik ben bezig met mijn bundel ‘Alcoholisten drinken graanhalmen.‘ ‘Zie je nu wel dat je gestoord bent. Graanhalmen kun je niet drinken. ‘
Er wordt een naald in mijn nek gedrukt en voor alles donker
wordt zie ik nog net het oude vrouwtje bovenop de heuvel staan. Ze heeft haar
boog in de schietstand en richt deze op de hulpeloze mensen op de fancy fair.
Foto : www.eostrace.be

Reacties
Een reactie posten