Ik word wakker met een kater. Niet omdat ik vorige avond veel gedronken heb, ik drink al sinds mijn elfde niet meer, maar omdat ik wederom in het westen en niet in het Wilde Westen ben wakker geworden. Het is een niet te vervullen wens die ik heb, helaas is deze onmogelijk. Ik sleep mezelf naar de keuken, trek de koelkast open en voel pijnscheuten in mijn hoofd door het felle licht uit de koelkast. ‘Het beleg is op. Kun je een onsje rookvlees halen?‘ hoor ik galmen vanuit de woonkamer. Ik trek mijn duffelse jas aan en ga naar buiten. Eenmaal buiten kom ik de dorpsgek tegen. Hij staat erom bekend dat hij geen één van alle zeven op een rij heeft. ‘Wat ga je doen?’ vraagt hij. ‘Een ons rookvlees halen.’ ‘Ik heb vanmorgen iets gedaan wat onmogelijk is,’ zegt hij. ‘Als je iets gedaan hebt wat onmogelijk is, dan is het niet meer onmogelijk, maar mogelijk.’ ‘Niet zo bijdehand hè? ‘ zegt hij terwijl hij me aankijkt met dat opgezwollen hoofd van hem. ‘Wat heb je dan g...