Ik word wakker met een kater. Niet omdat ik vorige avond
veel gedronken heb, ik drink al sinds mijn elfde niet meer, maar omdat ik
wederom in het westen en niet in het Wilde Westen ben wakker geworden. Het is
een niet te vervullen wens die ik heb, helaas is deze onmogelijk.
Ik sleep mezelf naar de keuken, trek de koelkast open en
voel pijnscheuten in mijn hoofd door het felle licht uit de koelkast. ‘Het beleg is op. Kun je een onsje rookvlees halen?‘ hoor ik
galmen vanuit de woonkamer. Ik trek mijn duffelse jas aan en ga naar buiten. Eenmaal
buiten kom ik de dorpsgek tegen. Hij staat erom bekend dat hij geen één van
alle zeven op een rij heeft.
‘Wat ga je doen?’ vraagt hij.
‘Een ons rookvlees halen.’
‘Ik heb vanmorgen iets gedaan wat onmogelijk is,’ zegt hij.
‘Als je iets gedaan hebt wat onmogelijk is, dan is het niet
meer onmogelijk, maar mogelijk.’
‘Niet zo bijdehand hè? ‘ zegt hij terwijl hij me aankijkt met
dat opgezwollen hoofd van hem.
‘Wat heb je dan gedaan?’
‘Ik ben binnen een seconde van hier naar de bakker zes
straten verderop gerend.' Ik kijk hem aan. Hij lijkt het serieus te menen.
‘Weet je wat?’ zeg ik. ‘Ik moet naar de slager acht
straten hier vandaan. We houden een wedstrijd, wie er het eerst is heeft
gewonnen. Als jij er het eerst bent zet je een
krijtstreep op de deur. Als ik er het eerst ben, veeg ik de krijtstreep uit.’ Hij kijkt me aan
en mochten er raderen in zijn hoofd hangen, veel draaien zullen ze niet. Ik wil
‘Klaar voor de start? ‘ roepen, maar ik zie hem al om de hoek verdwijnen.
Ik sleep mezelf naar de
Bergweg en neem tram 4 tegenover de Bas van der Heijden. De volgende halte,
station Noord, stap ik uit. Terwijl ik de geluiden van de tram langzaam hoor
vervagen schiet de ene na de andere pijnscheut, veroorzaakt door de zon, door
mijn hoofd. Na een paar minuten
gehurkt op de grond te hebben gezeten open ik mijn ogen. Voor me uit strekt
zich de eindeloze uitgedroogde prairie. De zonnestralen zinderen en teisteren
het struikgewas, de rotspartijen en de uitgedroogde grassen. De spaarzame
rotspartijen bezorgen me de nodige schaduw op mijn tocht. In de rotsspleten
bevinden zich nog restjes dauw, net genoeg om mijn ergste dorst te stillen. In
de verte hoor ik het gejank van prairiehonden, wanhopig en bloeddorstig.
Diverse afgezanten van de Coragyps Atratus (Zwarte gier) cirkelen boven mijn
hoofd al wachtend op mijn ineenstorting. De gevleugelden zullen van een koude
kermis thuiskomen, deze jongen is niet in te storten. Ik tuur naar de horizon
en als een fata morgana zie ik een silhouet op me af komen lopen. Eenmaal binnen
de reikwijdte van mijn arm blijkt het een indiaan te zijn. Getooid met
klassieke veer, pijl en boog, beschilderde wangen en een scalp aan zijn
broekriem lijkt de indiaan op oorlogspad te zijn, edoch, voor ik van angst in
mijn broek poep stelt hij me op mijn gemak.
‘Ik ben een pacifist,‘ zegt hij terwijl hij in kleermakerszit op de grond gaat zitten en het bloed
van de scalp druipt. Hij haalt een mes
tevoorschijn en even vrees ik het ergst. Met het mes snijdt hij dunne repen van
een plak gedroogd vlees.
‘Bizonvlees, ‘ zegt
hij. ‘Wil je een stuk? ‘
‘Graag,’ zeg ik. Mijn
maag rammelt als een donderbus.
‘Ik heb niet meer, het
is op. Verderop lopen bizons. Je mag mijn mes wel hebben.’ Hij draait zich om en
loopt weg met de van bloed druipende scalp. Een scalp met een haarband van
Reebok. Vreemd……..een bijzondere indiaan.
Ik omarm zijn advies en
loop naar verderop. Een pracht van een bizon staart me aan. De schoft meet
minstens twee meter hoog. De kop is woest en bezit een weelderige, lichtbruine
haardos. De vacht glanst en is eveneens lichtbruin. Zijn ogen stralen oerkracht
uit, de oerkracht van de prairie uit het Wilde Westen. Dan gaat het snel, ik
neem een aanloop en spring op de rug van de bizon. Een hevig gevecht volgt
waarin ik met het mes van de indiaan een onsje rookvlees van de rug snij.
Stofwolken belemmeren het zicht, maar ik hoor het gekrijs en gegil van mensen, ongetwijfeld
indianen van een rivaliserende stam. Ik zet het op een lopen terwijl de
pijnscheuten, veroorzaakt door het felle licht, door mijn hoofd marcheren. Ik
zak door mijn knieën en sluit mijn ogen. Niet veel later hoor ik het felle gerinkel
van een bel. Ik open mijn ogen en zie dat ik op de tramrails zit. Het is tram 4,
wat een geluk, die moet ik net hebben. Ik spring in de tram en de deuren
sluiten zich. Terwijl de tram wegrijdt zie ik achter de tram een horde mensen
rennen. Ze ballen hun vuisten en stieten kreten. Ongetwijfeld boos dat ze de
tram hebben gemist. De volgende halte, halte Bergweg stap ik uit.
‘Ik ben weer thuis, ‘
roep ik. Ik zal een boterham met rookvlees voor je maken.
‘Heb je gehoord wat er
op de Straatweg is gebeurd? ‘ wordt me gevraagd als ik het bord op tafel zet.
‘Geen idee.‘
‘Een of andere gek
heeft een stuk uit de rug van een poedel gesneden.‘
‘Vreemd. Smaakt het?’
‘Het smaakt, maar……’
‘Maar wat? ‘
‘Het smaakt anders. Zou
het kunnen dat je iets anders hebt gekocht?’
‘Onmogelijk! Dat is
totaal onmogelijk!’
Foto: Raymond Swaep
Reacties
Een reactie posten