Soms denk je dat je mensen kent, dat je weet wie ze zijn.
Soms slaat de balans ook naar de andere kant door.
Ik liep door de stad en zag hem aan de overkant van de straat lopen, Friedrich Bötel Von Neuenstein. Onafscheidelijk waren we ruim veertig jaar geleden. In elk klaslokaal zaten we naast elkaar en ieder vrij uurtje brachten we samen door. Friedrich was een glanzende polderjongen, wel geproportioneerd met schouders als klapdeuren en een borstkas als een bovenmaatse snijplank. We zijn elkaar na de middelbare school uit het oog verloren. Toch herkende ik hem direct. Hij was ouder geworden. Uiteraard, wie wordt er niet ouder? Zijn oogopslag herkende ik echter uit duizenden.
‘Hoi oude vriend!’ zei ik terwijl ik op hem afliep. Voordat hij wat kon zeggen stak ik een hand uit om hem tegemoet te treden met een warme begroeting. Zijn hand was kil, koud, ijskoud zelfs.
‘Oh oude vriend, ‘zei ik ‘Wat heb je een koude hand.‘
‘Dat klopt, ‘zei hij. ‘Ik heb een stalen kunsthand. Stevig, maar ijskoud, zeker bij deze temperatuur.‘ Ik was ontroerd en legde mijn hoofd op zijn borst. Mijn hoofd zonk weg in een kuiltje daar waar eerst een ferme borstkas had gezeten.
‘Oh oude vriend. Wat heb je een iele borstkas.‘
‘Dat klopt. Ik heb een ingevallen kippenborst. Al jaren.‘ Ik was ontroerd en wilde hem een paar opbeurende schouderklopjes geven. In plaats daarvan stond ik op zijn ruggengraat te slaan.
‘Oh oude vriend, ‘ zei ik. Waar zijn in vredesnaam je
schouders?‘
‘Die heb ik wel, maar omdat ik een grote bochel heb hangen deze naar voren en hierdoor sla je nu op mijn rug.‘ Hij keek me aan en lachte een rij parelwitte tanden bloot. Hij had een spleetje tussen zijn tanden en hier doorheen kwam een alles vernietigende, rotte putlucht. Ik sloeg mijn hand voor mijn neus.
‘Dat klopt,’ zei hij. ‘Ik heb vier rotte kiezen die dagelijks pus in mijn mond laten lopen. Dat veroorzaakt deze alles dodende taft.‘ Ik was ontroerd en stelde voor een stukje te gaan wandelen. Tijdens het wandelen tikte hij ritmisch met zijn linkervoet op de grond.
‘Oh oude vriend, ‘ zei ik. ‘Wat fijn om te horen dat je
muzikaal bent en een ritmegevoel hebt. ‘
‘Ik ben helemaal niet muzikaal. Ik heb een klompvoet en deze sleep ik achter me aan.‘ Zoveel onrecht kon ik niet aan. Ik wilde zijn hoofd tussen mijn handen nemen, maar moest hiervoor mijn armen helemaal strekken.
‘Wat groot, oh wat groot,‘ zei ik.
‘Dat klopt. Ik heb een waterhoofd. Ermee geboren en daar is
helemaal niks mis mee.‘
‘Mee geboren? Maar vroeger had je toch geen waterhoofd
Friedrich Bötel Von Neuenstein? ‘
‘Friedrich wie? ‘
‘Bötel von Neuenstein. ‘
‘Zo heet ik helemaal niet, ‘zei hij. ‘ Ik heet Frolleke
Spruit heb mijn ganse leven in Wezelbeke gewoond en ben een week geleden
hier naartoe verhuisd.
Hij draaide zich om en liep in een ritmische stijl van me
vandaan.
Foto : www.nos.nl

Reacties
Een reactie posten