Soms denk je dat je mensen kent, dat je weet wie ze zijn. Soms slaat de balans ook naar de andere kant door. Ik liep door de stad en zag hem aan de overkant van de straat lopen, Friedrich Bötel Von Neuenstein. Onafscheidelijk waren we ruim veertig jaar geleden. In elk klaslokaal zaten we naast elkaar en ieder vrij uurtje brachten we samen door. Friedrich was een glanzende polderjongen, wel geproportioneerd met schouders als klapdeuren en een borstkas als een bovenmaatse snijplank. We zijn elkaar na de middelbare school uit het oog verloren. Toch herkende ik hem direct. Hij was ouder geworden. Uiteraard, wie wordt er niet ouder? Zijn oogopslag herkende ik echter uit duizenden. ‘Hoi oude vriend!’ zei ik terwijl ik op hem afliep. Voordat hij wat kon zeggen stak ik een hand uit om hem tegemoet te treden met een warme begroeting. Zijn hand was kil, koud, ijskoud zelfs. ‘Oh oude vriend, ‘zei ik ‘Wat heb je een koude hand.‘ ‘Dat klopt, ‘zei hij. ‘Ik heb een stalen kunsthand. Ste...